Van 3 tot en met 24 juni is de expositie Oud Zeer te zien bij het Huis van de Stad in Rijswijk. Speciaal hiervoor organiseert de Bibliotheek aan de Vliet op donderdag 4 juni 2026 een avond met schrijver Patrick Wouters, waarbij hij een prachtig beeldverhaal laat zien over het migratie- en liefdesverhaal van zijn Indische ouders.
Van Surabaya naar Rijswijk: de platenkoffer van mijn vader Patrick laat muziekfragmenten horen, toont foto’s en vertelt anekdotes over zijn ouders. Dit doet hij aan de hand van de platenverzameling van zijn vader. Muziek uit de VS had enorme invloed op de voormalige kolonie en Indisch Nederland. Het bracht plezier en troost in goede en slechte tijden. Daarnaast is er ook de publieksquiz. 19.00 uur – inloop 19.30 uur – start voordracht
Patrick Wouters Patrick Wouters schrijft onder het motto: Vandaag is morgen gisteren. Geen heden zonder verleden. Hij publiceerde twee boeken: Vlucht in de werkelijkheid en (2022) en Rauw/Rouw (2023). Beide boeken zijn na afloop van de voordracht verkrijgbaar.
De platenkoffer van mijn vader Herman Keppy en Patrick Wouters bedachten en brachten de platenkoffer van mijn vader tijdens de 58e Tong Tong Fair in 2016. Een programma over de Amerikaanse invloed op de Indocultuur aan de hand van de platenverzameling van hun vaders, met muzikale bijdragen van Jan Venik (1936-2020) en René ‘Baas’ Vreede. Enkele elementen uit dit programma zijn onderdeel van Patricks beeldverhaal.
Met grote dank aan Herman Keppy die een deel van de slides ontwierp. Samen hebben wij de oorspronkelijke Platenkoffer van mijn vader twee keer opgevoerd: onvergetelijke herinneringen en topsamenwerking. Eveneens een groot woord van dank aan Duncan Bor voor de muziekmixage.
Bij het art deco affiche van Jan Lavies (Pasar Malam, Soerabaja 1930)
Lavies tekent een stad die zich aan de avond wil tonen. Lichtlijnen trekken bezoekers aan, een jaarmarkt van geur en vertoon, voorbijgaand geluk.
Kramen staan vrij in nachtlicht, zonder dak, als eilanden van handel, een labyrint van geur en stem.
En toch blijft iets hangen — niet alleen op papier, maar in de lucht van Surabaya. Tunjungan Plaza draagt het decor, glanzend, betonnen, luid. De kramen zijn vitrines geworden, de schaduw loopt over marmer.
Maar ergens tussen etalage en food court ademt het nog: het verlangen om samen te komen, om gezien te worden, om even te leven buiten jezelf. Lavies zou blijven kijken. Misschien niets begrijpen, maar toch: blijven kijken.
Soerabaja – Surabaya The poster by Jan Lavies (Pasar Malam, Soerabaja 1930)
Lavies draws a city eager to show itself at dusk. Lines of light attract the crowd, a fair of scents and spectacle, a fleeting kind of joy.
Stalls stand open in the night, roofless — islands of trade, a labyrinth of voice and spice.
Still, something lingers — not only on paper, but in the air of Surabaya.
Tunjungan Plaza wears the stage now, gleaming, concrete, loud. The stalls became vitrines, shadows glide across marble.
But somewhere, between food court and storefront, it still breathes: the longing to gather, to be seen, to live beyond yourself for a while.
Lavies would keep watching. Perhaps not understand — but still: keep watching.
Soerabaja – Surabaya (Bahasa Indonesia) Pada poster karya Jan Lavies (Pasar Malam, Soerabaja 1930)
Lavies menggambar sebuah kota yang ingin menampakkan diri saat senja. Garis-garis cahaya memanggil keramaian, pasar malam penuh aroma dan pertunjukan, kebahagiaan yang sebentar saja.
Gerai-gerai berdiri terbuka di malam hari, tanpa atap — pulau-pulau dagang, labirin suara dan rempah.
Namun sesuatu tetap tinggal — bukan hanya di atas kertas, tapi juga di udara Surabaya.
Tunjungan Plaza kini menjadi panggungnya, mengilap, dari beton, penuh gema. Gerai berubah menjadi etalase, bayangan meluncur di atas marmer.
Namun di suatu tempat, antara food court dan toko, masih ada yang bernafas: kerinduan untuk berkumpul, untuk terlihat, untuk hidup sejenak di luar diri.
Lavies akan terus memandang. Mungkin tak mengerti — namun tetap: memandang.
Van Jakarta tot Gaza, van oude wonden naar nieuwe littekens. De ene pijn ontkent de andere niet. Herdenken is kiezen voor menselijkheid.
Nooit meer is nu
We staan stil. Bij namen, bij data, bij verhalen die ons zijn toevertrouwd.
We buigen voor het verleden, maar sluiten onze ogen niet voor het heden.
Kolonialisme laat lange schaduwen na. De ene pijn hoeft de andere niet te overschaduwen. Erkennen is ruimte maken voor iedereen die verlies kent, die onrecht draagt.
Van de Molukken tot West-Papua, van Jakarta tot Gaza.
Herdenken is niet alleen terugzien, het is kiezen voor menselijkheid, hier, nu.
Van gedroogde kersenbloesem in een verweerd kleinood naar bloemen bij het Indisch Monument. Eén familie, één verhaal, deel van een groter verleden.
Stille getuigenis
In mijn handen ligt een klein, verweerd boekje. De kaft is zacht geworden van het dragen, de bladzijden broos van de jaren en de reizen die het tegen wil en dank heeft gemaakt.
Op 12 december 1941 kreeg mijn opa het, op de dag van de mobilisatie in Nederlands-Indië. Hij was landstormersoldaat bij het KNIL en droeg het Nieuwe Testament altijd bij zich. Bij de capitulatie. In het kamp: de scheepswerf Harima, nabij Osaka.
Hij las, onderstreepte, schreef namen en data alsof het boekje niet alleen een testament van geloof, maar ook een stille kroniek van zijn dagen werd. Zelfs gedroogde bloesems van de Japanse kers vond ik er tussen, als herinneringen die niet verwelken konden.
Achterin, in klein handschrift, de naam en verjaardag van zijn oudste zoon. Mijn vader. Ik zie hem daar zitten, met dat potlood, op een dag dat het thuisfront verder weg leek dan ooit.
Hij kwam nooit terug. In 1944 stierf hij in het kamp. Pas in 1993 ontdekte ik dat zijn urn was bijgezet in het colombarium van Ereveld Menteng Pulo in Jakarta. Toen kregen de contouren van zijn verhaal langzaam kleur, via kampgenoten die vertelden wat er was gebeurd.
Dit boekje, het enige naast een handvol foto’s dat we van hem hebben, ging van mijn opa naar mijn oma, naar mijn vader, en toen naar mij. Op een dag zal ik het aan mijn zoon Julian geven.
Op 15 augustus sta ik stil. Niet in stilte alleen, maar schrijvend. Over de oorlog die mijn Indische ouders en grootouders overleefden. Over de Japanse bezetting. De bersiaptijd. De onafhankelijkheidsoorlog. Over het geweld van beide kanten. Over het kolonialisme, met zijn zwarte bladzijden die niet minder zwart worden door ze te verzwijgen.
Ik schrijf omdat herdenken méér is dan een terugblik. Het is een dialoog met het verleden, met alle stemmen die daarin klinken.